Blog » ook aan de devolutieve werking van het administratief beroep zijn grenzen

Gepost door Bram op 10 november 2016 .

In de rand van een betwisting over het al dan niet vervallen zijn van een verkavelingsvergunning, wordt bij het beoordelen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een eengezinswoning op een van de loten van die verkaveling door de RvVb een interessant arrest geveld met betrekking tot de toepasselijke beslissingstermijnen die in de stedenbouwkundige vergunningsprocedure zijn voorzien.

RvVb nr. A/2015/0247, 21 april 2015.

Vervaltermijn

Over een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag moet het college van burgemeester en schepenen in principe beslissen binnen een termijn van 105 dagen.[1] Indien er geen openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, kan soms ook een termijn van 75 dagen gelden.

De termijn vat aan de dag na de dag waarop het resultaat van het ontvankelijkheids- of volledigheidsonderzoek aan de aanvrager wordt bezorgd, en ten laatste dertig dagen na de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Het betreft een vervaltermijn. Dit houdt in dat, indien geen beslissing wordt genomen binnen deze beschikbare termijn, de aanvraag wordt geacht te zijn afgewezen.[2]

Opvallend is dat niet alleen de uitdrukkelijke beslissing, maar ook een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing per beveiligde zending moet worden meegedeeld aan de aanvrager binnen een termijn (van orde) van 10 dagen.[3]

Beter laat dan nooit?

Op 18 maart 2010 dienen de aanvragers bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Steenokkerzeel een aanvraag in voor het bouwen van een eengezinswoning. Hoewel de termijn om te beslissen over de aanvraag verstrijkt op 31 juli 2010, verleent het college van burgemeester en schepenen alsnog de stedenbouwkundige vergunning op 9 augustus 2010. Tegen deze vergunning wordt door enkele omwonenden een administratief beroep ingesteld bij de deputatie.

Deze laatste stelt uitdrukkelijk vast dat het college van burgemeester en schepenen inderdaad te laat heeft beslist, nu de beslissingstermijn i.c. begon te lopen op 17 april 2010, en het gemeentebestuur bijgevolg niet meer bevoegd was om een uitspraak te doen over de aanvraag. De deputatie koppelt daaraan echter vast dat ‘aan de betrokken aanvrager’ toch  ‘een maximale rechtszekerheid moet geboden worden’, wat dan moet betekenen dat de laattijdige beslissing uit het rechtsverkeer moet worden verwijderd, waarop het provinciebestuur zich bevoegd acht om de zaak naar zich toe te trekken én tot slot zelf ten gronde te oordelen. Die werkwijze zou moeten kaderen binnen de devolutieve werking van het administratieve beroep waarbij de aanvraag ‘in haar volledigheid’ wordt onderzocht.[4]

Stilzwijgend geweigerd is wel degelijk geweigerd

De verzoekers bij de RvVb –buren van het bouwperceel− hekelen de beslissing van de deputatie, en stellen dat deze ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stilzwijgende (weigerings)beslissing over de aanvraag die is tot stand gekomen door het verzuim van het college van burgemeester en schepenen om tijdig over de aanvraag te beslissen.

In het becommentarieerde arrest sluit de RvVb zich daarbij aan. De RvVb stelt vast dat het college van burgemeester en schepenen inderdaad niet binnen de decretale (verval)termijn heeft beslist, dat de stilzwijgende weigering niet ter kennis werd gebracht, en dat tegen deze stilzwijgende beslissing bovendien ook geen administratief beroep werd ingesteld. Dit maakt dat, volgens de RvVb, de deputatie zich had moeten beperken tot de vaststelling dat zij onbevoegd was aangezien ook het college van burgemeester en schepenen zelf onbevoegd was om nog tijdig te beslissen over de aanvraag. Volgens de RvVb kon de deputatie in de gegeven omstandigheden dan ook de aanvraag niet ten gronde beoordelen of in haar volledigheid opnieuw onderzoeken.

Devolutieve werking niet absoluut

Een georganiseerd administratief beroep, zoals dat bij de deputatie in de stedenbouwkundige vergunningsprocedure, heeft devolutieve werking.[5] Dat volgt ook rechtstreeks uit artikel 4.7.21 §1 VCRO,[6] wat ook al meermaals werd bevestigd door de RvVb.[7] Het voormelde artikel bevestigt volgens de RvVb ‘het principe van de devolutieve werking van het administratief beroep waarbij de deputatie de aanvraag in haar volledigheid beoordeelt naar legaliteit en opportuniteit, zonder daarbij gebonden te zijn door de motivering vervat in de beslissing genomen in eerste administratieve aanleg, of door de voor haar aangevoerde beroepsargumenten. De deputatie dient, als orgaan van actief bestuur, uitspraak te doen op grond van een eigen beoordeling van de aanvraag, waarbij de mogelijkheid dat de verwerende partij daarbij een ander inzicht huldigt dan het college van burgemeester en schepenen inherent is aan het devolutieve karakter van het administratieve beroep.’

Ook de RvS gaf eerder al aan dat de devolutieve werking van het administratief beroep impliceert dat de beroepsinstantie het dossier waarover zij gevat is terug onderzoekt zowel wat de legaliteit als de opportuniteit betreft, zonder gebonden te zijn door de motivering vervat in de beroepen beslissing, noch door de tijdens de beroepsprocedure ontwikkelde argumenten.[8] De beslissing in beroep treedt volledig in de plaats van de beslissing waartegen het administratief beroep werd ingesteld.

De devolutieve werking biedt de administratieve beroepsoverheid dus heel wat slagkracht, maar is ook geen wondermiddel. Bij onbevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen zal ook de deputatie onbevoegd zijn. In dit kader moet er tevens op worden gewezen dat de devolutieve werking van het administratief beroep ook wordt beperkt door de omvang van het ingediende beroep, bijvoorbeeld ingeval slechts tegen een welbepaald onderdeel van een vergunningsaanvraag administratief beroep werd ingesteld.[9]

In de praktijk leidt de devolutieve werking van het beroep bij de deputatie soms tot ergernis bij beroepspartijen of bezwaarindieners. Zo valt het op dat de beslissingen van de deputaties vaak slechts beperkt ingaan op de bezwaren die werden geuit tijdens het openbaar onderzoek, en dat ook de opgeworpen beroepsgrieven meestal slechts beknopt worden ontmoet. Dit is te betreuren en komt zelfs bevreemdend over nu het administratief beroepschrift, op basis van artikel 1 §1, 3° van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen, op straffe van onontvankelijkheid een inhoudelijke argumentatie vereist in verband met de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing.[10]

Hoewel het niet de bedoeling kan zijn om de devolutieve kracht van het administratief beroep bij vergunningsprocedures ter discussie te stellen, verdient het toch minstens aanbeveling de tijdens de beroepsprocedure ontwikkelde argumenten een belangrijke plaats te geven in het beoordelingsproces dat moet leiden tot de beslissing van de deputatie.

Dat de RvVb terzake een eerder soepele benadering hanteert,[11] betekent niet dat de insteek die de betrokken partijen aan de procedure geven naar de achtergrond moet verdwijnen. Het behoort dat de deputatie op een uitdrukkelijke en duidelijke wijze standpunt inneemt over de voor het dossier relevante beroeps- of verweerargumenten die door de partijen naar voor worden gebracht.

 

[1] Zie artikel 4.7.18 §1 VCRO.

[2] Artikel 4.7.18 §2 VCRO.

[3] Artikel 4.7.19 §1 VCRO.

[4] Artikel 4.7.21 §1 VCRO.

[5] Zie bijvoorbeeld J. GORIS, ‘Het georganiseerd bestuurlijk beroep en het algemeen bestuurlijk toezicht: de soms vage scheidingslijn wordt steeds vager’, T. Gem. 2007,94.

[6] Zie Parl.St. Vl.P. 2008-2009, stuk 2011, nr. 1, 183, nr. 549.

[7] O.a. RvVb nr. A/2015/0366, 16 juni 2015, Van Den Bergh.

[8] Zie bijvoorbeeld RvS 28 oktober 2010, nr. 208.538, Craeyeveld en RvS 27 juni 2011, nr.214.200, Naessens.

[9] Daarbij zal de deputatie moeten nagaan of de aangevraagde handelingen al dan niet afsplitsbaar zijn (zie bijvoorbeeld RvVb nr. A/2013/0625, 29 oktober 2013).

[10] BS 31 augustus 2009.

[11] Recent nog gaf de RvVb aan dat ‘om te voldoen aan de motiveringsplicht’, de deputatie ‘er niet toe gehouden’ is om ‘elk bezwaar punt na punt te weerleggen’ (zie RvVb nr. A/1516/1502, 30 augustus 2016, bvba ‘t Hamsterke). Ook recent stelde de RvVb dat de deputatie ‘die uitspraak doet als actief bestuursorgaan, niet punt per punt alle beroepsargumenten of adviezen’ dient te ‘beantwoorden of weerleggen’ (zie RvVb nr. A/1516/1464, 23 augustus 2016, Timmermans).